Interview Luckas Vander Taelen

Hij is van heel wat markten thuis – op zijn cv staan onder meer rollen als journalist, zanger, schrijver en politicus – maar bovenal is Luckas Vander Taelen (63) toch vooral Brusselaar. Een Brusselaar met een stevige mening, want de voormalige Aalstenaar kan honderduit vertellen over de charmes en gebreken van onze hoofdstad. “We moeten wat vaker out of the box durven denken”, is zijn boodschap.

We beginnen meteen met wat misschien wel de meest belangrijke vraag van heel het interview is: hoe gaat het met u?

“Goed, ondanks enkele gezondheidsproblemen die ik de afgelopen maanden heb gekend. Ik moest een bypassoperatie ondergaan, maar voor de rest

voel ik me heel goed.”

 

In hoeverre heeft de coronacrisis bij u voor ergernis gezorgd, of is daar toch ook een soort van rust uit voortgekomen?

“Goh, dat is een dubbel gevoel. Voor mij heeft dat niet zo veel verschil gemaakt. Ik geef enerzijds les in het RITCS en schrijf ook veel. Dat lesgeven verliep wat gecompliceerder, maar het schrijven en lezen kon gewoon doorgaan. Ik was voor de lockdown al gestopt met het geven van actieve ateliers,

dus dat kwam nog redelijk goed uit.”

 

Welke zaken hebt u dan wel gemist de afgelopen maanden?

“Ik ben iemand die nogal graag gaat werken en leven op café, vooral in het Mokafé in het centrum. Normaal gesproken had ik voor een interview als dit graag daar afgesproken, maar dat was helaas niet mogelijk. Niet dat ik niet graag thuisblijf, ik zit ook graag in mijn bureau, maar ik hoop dat er toch snel verbetering komt met de heropening van de terrassen.” (Dit interview vond eind april plaats, toen de horeca nog gesloten was, red.)

 

“Ik ben eigenlijk niet hypersociaal, dus de coronacrisis heeft op zich niet zo’n geweldig grote invloed gehad. Natuurlijk is een deel van mijn activiteiten wel weggevallen, want ik geef ook regelmatig lezingen of maak toeristische reportages voor kranten, maar ik ga niet klagen. (lacht)”

 

Bent u zelf al gevaccineerd?

“Ja, twee weken terug. Tot mijn eigen verbazing is dat zeer vlot gegaan. Ik was erg verrast door de manier waarop dat verlopen is hier in Vorst.”

 

We hebben wel al verschillende keren gehoord dat niet iedereen het geluk heeft gehad om op zo’n vlotte manier geholpen te worden, en al zeker niet in het Nederlands.

“Ik heb de proef nu zelf op de som genomen, maar we hebben inderdaad al gezien dat er zich soms relletjes voordeden. Een deel van het veiligheidspersoneel is enkel Franstalig en dat is uiteraard jammer. Ik ben goed tweetalig en heb een Franstalige vrouw, dus ik spreek soms zelf in het Frans zonder het te beseffen, maar ik wilde ‘als goede Vlaming’ eens de test doen. Ik bleef echter op mijn communautaire honger zitten, want de mensen deden heel goed hun best

om in het Nederlands te kunnen helpen. (lacht)”

 

“Enkel de vrouw die het spuitje toediende, kende geen Nederlands. Maar zij excuseerde zich daar dan ook wel voor. Als je voelt dat de mensen hun best doen, dan ben ik al heel tevreden. Als Brusselse Vlaming voel je in de loop der jaren wel aan wanneer je op je strepen moet staan en wanneer je wat coulanter mag zijn.”

 

Recent was er een incident op Twitter met Sven Gatz, die reageerde ‘dat de grootstad zich aan niemand moest aanpassen’ toen iemand aanklaagde dat hij niet in het Nederlands geholpen kon worden na een verkeersongeval.

“Strategisch vond ik dat totaal onbegrijpelijk van Gatz. Ik ken hem goed en heb heel veel respect voor hem, maar hier heeft hij toch een fout gemaakt. Als politicus moet je daar toch beter over nadenken. Als je zoiets beweert, geef je een open voorzet aan de Vlaamse Rand om eigenlijk hetzelfde te mogen zeggen. C’est comme ça, wij moeten ons ook niet aanpassen en moeten dus geen faciliteiten meer voorzien. Ik begrijp perfect wat Gatz zegt, Brussel is een kosmopolitische stad en we moeten nadenken over hoe we de zaken hier organiseren, maar dat belet me niet om op mijn Vlaamse strepen te staan wanneer het nodig is.”

 

“Dat is ook het voordeel van wat ouder te worden en al 45 jaar in Brussel te wonen. Ik ben historicus en weet hoe de verfransing van Brussel gelopen is. Het grootste deel van mijn vriendenkring is Franstalig, ik heb zelf ook voor de RTBF gewerkt en vind Frans een fantastische taal, maar je moet ook beseffen dat wat nu verworven is ook snel kapot kan gaan. Gatz stelt hier zaken in vraag op dezelfde manier als onder meer het FDF in de jaren ’70 deed. Jonge mensen kunnen nu het gevoel hebben dat het Nederlands een bepaalde plaats heeft en dat er veel tweetaligheid is, maar dat is lang niet zo vanzelfsprekend geweest. De uitbouw van de gemeenschapscentra en van het Nederlandstalig onderwijs zijn daar ook cruciaal in geweest, want anders was Brussel een volledig Franstalige stad geworden.”

 

Terwijl er inderdaad toch ook wel een belangrijke Nederlandstalige dynamiek heerst in Brussel?

“Absoluut, met de Ancienne Belgique en de Beursschouwburg als uitstekende voorbeelden. Ook Bruzz is een uitstekend medium aan Nederlandstalige kant, daar bestaat geen Franstalige tegenhanger van. Op die Vlaamse dynamiek mag Brussel fier zijn. Daar is voor gevochten geweest, dat mogen we niet als vanzelfsprekend zien. Het is jammer dat die gevoeligheid niet overal bestaat en dat er nog steeds hoogopgeleide mensen zijn die geen Nederlands kennen. Ook omdat de Vlamingen de afgelopen decennia te coulant geweest zijn, onder meer bij de invoering van de faciliteitengemeenten. Men heeft maar getolereerd dat er geen faciliteitengemeenten aan Franstalige kant kwamen, dat heb ik nooit begrepen.”

 

"De creatie van het Brussels Gewest in 1989 past ook in dat rijtje. Vlaanderen kon José Happart opzijschuiven, maar moest dan wel een extra Gewest aanvaarden. Dat heeft ook zijn gevolgen gehad, want twintig jaar later worden we plots geconfronteerd met de totaal ongrondwettelijke ‘Fédération Wallonie-Bruxelles’. Ook dat hebben de Vlamingen gewoon aanvaard, terwijl ze ook de ‘Federatie Vlaanderen-Brussel’ hadden kunnen oprichten. De politiek heeft die gevoeligheid voor Brussel quasi niet, en dat is zeer spijtig. De machtscentra liggen elders. Connor Rousseau liet recent in een interview weten ‘dat hij nog niet had nagedacht over Brussel’, maar die komt daar gewoon mee weg. Strategisch is dat een ramp, want de Franstaligen hebben daar wél al lang over nagedacht.”

 

Misschien kan u nog een politieke comeback maken om daarvoor te ijveren?

“Nee bedankt, ik voel me goed in mijn rol als commentator (lacht). Politiek is de wereld van de compromissen, dat is zeer moeilijk. Als parlementair wordt er in de oppositie niet naar jou geluisterd, en in de meerderheid heb je er alle belang bij om je partij niet te veel stokken in de wielen te steken. Dat is een heel ondankbare job.”

 

Is de Nederlandstalige Brusselaar volgens u dan een uitstervend ras?

“De Nederlandstalige Brusselaar is sowieso een vreemd specimen. Brussel is een stad van zinnekes. Bijna alle Nederlandstaligen die ik ken in Brussel, zijn een onderdeel van taalgemengde gezinnen. Die meertaligheid is altijd een Brussels gegeven geweest, maar die vermenging leidt niet langer alleen maar naar verfransing. Ik had vroeger een buurvrouw, de dame is intussen helaas al overleden, waar ik uit gewoonte Frans tegen sprak, want dat was nu eenmaal de lingua franca in de buurt. Tot zij op een bepaald moment, tijdens een buurtfeest, in het West-Vlaams begon tegen mij. Zijzelf en haar kinderen waren totaal verfranst. Nu vindt iedereen het normaal als er in een taalgemengd gezin de talen van de ouders gesproken wordt. Dat is de realiteit van nu. En dus is de Nederlandstalige Vlaming ook niet langer diegene die je kan terugvinden in de gemeenschapscentra, er is een nieuwe generatie die opgroeit in het kosmopolitische Brussel.”

 

“Maar tegelijkertijd mag je niet vergeten dat Brussel deel uitmaakt van een staatkundig bouwwerk. De Franstaligen hebben de taalwetten nooit serieus genomen, maar zij begrijpen niet dat Brussel ondertussen geen Franstalige stad meer is. Het is wel een stad waarin we ons van het Frans bedienen als lingua franca, maar op zich is Brussel vooral een stad van minderheden. Als je op alle Brusselse deuren gaat kloppen, zal je maar weinig zuiver eentalige families terugvinden. Op zich is dat dus een erg complex vraagstuk. Daarom dat het ook zo belangrijk is om de geschiedenis van Brussel in het achterhoofd te houden, maar het is niet altijd even gemakkelijk om dat door te geven aan alle nieuwe generaties.”

U hebt zelf al verschillende boeken geschreven over onze hoofdstad, waarvan het recentste uitkwam in 2019. Stel dat daar vandaag een herziene versie of tweede druk van zou verschijnen, welke veranderingen of updates zou u daaraan doorvoeren?

“Goh, ik zou misschien nog wat scherper schrijven over de noodzakelijke herstructurering van Brussel. De stad is al lang geen verzameling meer van 19 gemeenten, maar is een echte grootstad geworden. Ik heb lange tijd in Elsene gewoond en woon nu al twintig jaar in Vorst, maar ik heb mezelf nooit als Elsenaar of Vorstenaar gezien. De institutionele stilstand van Brussel vind ik het grootste drama, met een te zwak gewest en te veel gemeenten die hun autonomie willen bewaren. Vergeet het idee van de fusie van de 19 gemeenten, maar verander Brussel naar een systeem van om en bij de 25 districten. En uit elk district kunnen er dan twee personen afgevaardigd worden naar een gewestelijk parlement, zoals men bijvoorbeeld in Parijs doet, met één duidelijke persoon aan het roer. Die hiërarchie is nodig. Pas op, de OCMW’s en de politiezones moeten ook fors herschikt of gefuseerd worden, op zich is dat mogelijk als interne Brusselse staatshervorming. Maar helaas lijden we ook aan de Belgische ziekte met te veel beleidsniveaus, en bovendien zien de Franstaligen in zowat elke poging tot een betere organisatie van het gewest een aanval van de Vlamingen om de Brusselse autonomie aan te tasten.”

“We zitten ook met té veel politieke benoemingen in ons systeem. Ik hoop dat er een generatie komt die durft te zeggen dat het genoeg geweest is en dat we daarmee moeten ophouden, in het belang van het land. Eigenlijk zou ik daar zelfs gewoon een volledig nieuwe boek over kunnen schrijven. Heel wat politici zijn gewoon blij met waar ze zitten, zonder ambitie. Dat voel ik ook bij Rudi Vervoort. Die wil gewoon zijn mandaat als Minister-President uitdoen en nadien terugkeren als burgemeester van Evere. Brussel verdient beter en zou in overdrive moeten gaan. Brussel is een grootstad met bewuste burgers en eindeloze mogelijkheden, maar een abominabele politieke klasse. Iemand als Vervoort gomt zichzelf veel te vaak uit. Een stad runnen is anno 2021 geen cafépraat, daar heb je iemand met carrure en gevoel voor moderniteit voor nodig. Ik vind het hele project van Kanal-Centre Pompidou daar een goed voorbeeld van. Daar had men een prachtig eigen project in kunnen uitbouwen, door er bijvoorbeeld AutoWorld in onder te brengen, zodat er in het Jubelpark plaats gemaakt zou kunnen worden om meer schone kunsten tentoon te kunnen stellen. Maar in plaats daarvan wordt het een bijhuis van het Centre Pompidou, terwijl er in die bijhuizen nooit belangrijke tentoonstellingen worden gehouden. Dat zijn gemiste kansen. Vervoort durft niet op tafel te kloppen wanneer het nodig is. Dat is een perfect toonbeeld van dat gebrek aan carrure in ons Gewest. Iemand als een Philippe Close vind ik dat bijvoorbeeld wél hebben. Ik heb hem zelf al mogen interviewen en was aangenaam verrast door de manier waarop hij, ook in het Nederlands, inhoudelijk kon debatteren.”

 

De laatste tijd komt het Ter Kamerenbos erg vaak in het nieuws, onder meer door de edities van La Boum. Is dat de tuin die heel wat Brusselaars nodig hebben?

“Absoluut. Het Ter Kamerenbos zou eigen gewestelijk grondgebied moeten worden, want élke Brusselaar komt daar naartoe, maar dat durft Vervoort niet zeggen. Alle parken hier in Vorst zitten bomvol, dan is het logisch dat je naar Ter Kamerenbos trekt om groene ruimte op te zoeken. Maak dat park gewestelijk en leg shuttlediensten in vanuit andere gemeenten, dan is iedereen tevreden (lacht). Dat soort creatieve oplossingen hebben we nodig. Mijn vrouw had laatst ook een geweldig idee toen we in het Dudenpark wandelden. Union moet verhuizen omdat hun stadion niet groot genoeg is, en het kan niet aangepast worden omdat het een beschermd gebouw is. ‘Waarom maken we van dat stadion dan niet de grootste speeltuin van het hele Gewest?’, vroeg mijn vrouw zich af. We moeten wat vaker op die manier out of the box durven denken. Dat is ook zo’n typisch probleem, Brussel wil niet excelleren. Men is tevreden met middelmaat. We kunnen het mooiste stadion van het land op een bijzondere manier recupereren, de mogelijkheden zijn quasi eindeloos. Maar iemand moet die kans durven aangrijpen.”

 

Wat is volgens u het best bewaarde geheim van Brussel?

“De vele geheime plekjes. Tijdens de coronacrisis zijn we enkele keren gaan wandelen in het Dudenpark met vrienden uit andere gemeenten, en die kenden het park gewoon niet. In Brussel kan je altijd wel iets ontdekken, zelfs na zoveel jaar. Brussel is een stad die niet zo imponerend of monumentaal is als bijvoorbeeld Parijs, maar er zijn heel wat geheimen met mooie plekjes, in élke gemeente. Als je de Groene Wandeling volgt, zie je daar ook geweldige voorbeelden van. Daar kan je het oude Brussel nog helemaal terugvinden. In feite is Brussel een puzzel waarvan je de stukken zelf nog moet samenbrengen. Als ik toeristen een goede raad mag geven, is het wel om het centrum te vermijden en op ontdekking te trekken in een grootstad die eigenlijk een stad van wijken is.”

 

Wat is langs de andere kant de grootste misvatting die er bestaat over Brussel?

“Brussel wordt vaak als gevaarlijke of dichtbevolkte stad gezien, dat klopt in mijn ogen niet. Ik ben al op alle mogelijke uren van de dag en nacht door de stad gegaan, en je voelt toch wel een groot verschil met andere grootsteden als Parijs. Akkoord, Brussel is op zich wel diverser, maar de schaal is zoveel groter in Parijs. Ik heb me in Brussel alleszins ook nog nooit onveilig gevoeld. Al is er qua druk en veiligheidsgevoel wel al een geweldig groot verschil tussen de jaren ’90 en nu, maar dat heeft Brussel ook wel deels aan zichzelf te wijten. Veel Vlamingen hebben op die manier een verkeerd beeld van Brussel.”

 

Gaat u ooit nog weg uit Brussel?

“Ik heb een appartement aan zee en zit daar ook vaak te werken. Dat is een volledig andere setting, daar is het alleen maar de zee en ikzelf. Dat is geen alternatief voor Brussel. Ik had graag ooit in New York of Parijs gewoond, maar daar ben ik inmiddels te oud voor (lacht). Mijn leven is hier. Misschien vertrek ik ooit nog wel, maar ik ben intussen al lang vergroeid met de stad en met haar diversiteit. In kleinere steden kent iedereen elkaar, hier heb je twintig of dertig nationaliteiten per straat. Belgo-Belgische gezinnen zijn een kleine minderheid. Als ik de tram neem, zie ik dat 90% van de mensen een andere achtergrond dan ik hebben. Dat vind ik een van de vele charmes van Brussel. En het is hier ook enorm vreedzaam, wat toch ook niet vanzelfsprekend is met meer dan 180 nationaliteiten. Uiteraard zijn er soms moeilijkheden, maar dat zijn geen etnische moeilijkheden.”

“Weet je, op zich kunnen we wel veel kritiek uiten op de manier waarop Brussel beheerd wordt, maar de problemen zijn wel beheersbaar. Alle problemen van Brussel zijn op te lossen, daar ben ik van overtuigd. Veel van die problemen zijn gelinkt aan drugsproblemen en de ‘getto-isering’ van bepaalde wijken, dat moeten we durven benoemen en aanpakken. Een intelligente gentrificatie en de vermenging van wijken zouden daarin kunnen helpen. Sociale woningen in de Woluwes en dure appartementen in Molenbeek, dat zou het probleem al wat kunnen oplossen. Naast zware investeringen in het onderwijs uiteraard. De problemen benoemen is één ding, maar we hebben iemand nodig met persoonlijkheid om out of the box te denken en de problemen op te lossen.”

Op zich kunnen we wel veel kritiek uiten op de manier waarop Brussel beheerd wordt, maar de problemen zijn wel beheersbaar. Alle problemen van Brussel zijn op te lossen, daar ben ik van overtuigd.

luckas.jpg