WILL TURA

“We mogen ons niet laten doen ”

Geen mens die Tura in zijn eigen straat aanklampt voor een handtekening.
Vlaanderens bekendste zanger kan ongestoord een wandelingetje maken
in het park naast zijn deur. Hier is hij gewoon mijnheer Blanckaert. Een Brusselaar
onder de Brusselaars. Maar wel eentje die de Ancienne Belgique in geen tijd kan
uitverkopen. Een gesprek over leven en werk, met Brussel als rode draad.

 

U treedt in september meerdere keren op voor een uitverkochte AB.

Dat was het beste nieuws van de dag toen Sandy (zijn dochter en manager, nvda) me belde om te zeggen dat de AB in een mum van tijd was uitverkocht. Ik ga er ook een live album opnemen. Mijn platenmaatschappij wil alles live en puur. Ik ga er iets speciaals van maken.

Komt uw eigen familie nog kijken?

Jenny komt zeker kijken. En mijn kinderen zijn er ook graag bij. ’t Is toch iets speciaals: in eigen stad optreden.

Wie is voor u de grootste Brusselaar?

Onze wijlen Toots Thielemans uiteraard. Wij kwamen zeer goed overeen. Aan de luchthaven was er een groot hotel waar hij soms op zondagmiddag optrad. Hij nodigde me dan uit om samen een liedje of twee te zingen.

Ik ben ook altijd fan geweest van bigbands zoals die van Francis Bay. Bij hem is mijn carrière begonnen. Ik heb in Brussel veel grote muzikanten mogen ontmoeten.

Is Brussel vandaag nog een grote muziekstad?

Ik probeer het wel allemaal wat te volgen. Stromae is iemand die ik geweldig vind. Af en toe verschijnt er zo een nieuwe figuur waarvan je weet: die heeft het. Bij Stromae had ik dat direct. Hij is ook een Brusselaar. En het beste orkest hebben we natuurlijk ook in Brussel: het Brussels Philharmonic. Dat zijn echt steengoeie muzikanten. Ze kregen zelfs een Oscar voor beste filmmuziek enige jaren terug.

Wat vindt u zelf uw beste nummer?

Dat is heel moeilijk om te kiezen. Ik heb zo’n 300 nummers zelf gecomponeerd weet je.

Mijn eerste eigen geschreven nummer draagt zeker een mooi verhaal mee. Ik was al jaren bezig als zanger. Ze lieten me altijd vertalingen zingen van Amerikaanse nummers. Ik was een jonge jongen die liedjes moest zingen voor jonge meisjes, begrijp je? Ik zong van O paardenstaart wat een vertaling was van I love your ponytail. Maar in mijn vrije tijd componeerde ik stukjes voor piano. Mijn muziekuitgever Jacques Kluger zei me op een zekere dag: maar schrijf nu toch eens een liedje dat je zelf kan zingen! En ik schreef Eenzaam zonder jou. Het werd meteen een enorme hit, met zelfs vertalingen in andere talen  zoals Je me sens très seul van Robert Cogoi.

U heeft altijd gedaan wat u graag doet. Wat geeft u mee aan jonge mensen als levenswijsheid?

Je moet je droom waarmaken. Iedereen heeft een droom als hij of zij jong is. Er is altijd iets dat je een kick geeft. Dat kan ook gaan over goed studeren of de wereld veranderen. Kijk naar mijn zoon: hij is piloot. Hij droomde daarvan. En hij vliegt nu elke dag met een Airbus.

Wanneer kwam u voor het eerst in Brussel?

Ik moet een jaar of 13 geweest zijn. Ik kwam op vakantie bij vrienden van de familie samen met mijn broer Staf. Dat was in Bosvoorde. Was dat al Brussel? Dat was wonderbaarlijk. We reden hier mee met de tram. Veurne – waar ik opgroeide – lag op een halve dagreis van hier. Brussel was een heel andere wereld.

Hoe komt het dat u hier ook bent komen wonen?

Dat ging eigenlijk vanzelf. Op mijn 17e mocht ik mijn eerste opname maken, samen met Francis Bay. Daarvoor moest ik naar het NIR (Flageygebouw, nvda) in Brussel komen. Zo is het gestart. Ik ben daarna nog heel veel naar Brussel gereisd. En dan is er de liefde natuurlijk. Ik heb hier mijn vrouw leren kennen. Jenny is van Woluwe. De liefde verklaart dus alles.

Nu woon ik al 32 jaar in de buurt van de Franklin Rooseveltlaan. Ik heb godzijdank een heel mooie buurt gevonden om te wonen. Dat is een lang proces geweest . Ik ben eerst van Veurne naar Kampenhout getrokken. Daarna naar Steenokkerzeel. Mijn ouders zijn toen ook meeverhuisd. Ik heb na een tijdje tegen mijn ouders gezegd: blijven jullie maar hier. Ik trek naar Brussel.

U gaat hier niet meer weg?

(lacht) Dat denk ik niet. Ik zou hier graag blijven voor de tijd die me nog rest.

Moet u Brussel soms verdedigen?

Ja, een grootstad schrikt blijkbaar sommige mensen af. Brussel komt ook regelmatig in het nieuws natuurlijk. Iemand zei me onlangs: ga je optreden in Brussel? Pas daar maar goed op.

Dat is niet leuk.

’t Zijn moeilijke momenten geweest voor de stad en in het algemeen voor ons allemaal. We mogen ons niet laten doen. We mogen niet bang zijn. Al is dat makkelijk gezegd. Ik denk altijd aan de slachtoffers. Voor hen staat de wereld stil.

Wat zijn de troeven van Brussel?

Brussel is een formidabele stad. I love it. Je kan je hier uitleven. Ik ben ook een beetje bekend. Dan is Brussel ook een voordeel: hier kennen ze je niet. Als ik Veurne kom of elders in Vlaanderen is het meteen van Will hier en Will daar. In Brussel kan ik een restaurantje doen zonder poespas. Heel af en toe komt er iemand aan mijn tafeltje zeggen: bonjour, vous n’êtes pas Will Tura?

Brussel is mijn stad. Ik ga elke ochtend 40 minuten joggen in de hippodroom. Heerlijk vind ik dat. Ik jog niet meer zo snel als vroeger, maar ik geniet er erg van. Vroeger was ik er maniakaal in. Ik probeerde voortdurend mijn eigen tijden te verbeteren. Nu loop ik puur voor de form. Ik treed ook minder op. Ik doe nu formules van 2 keer 5 concerten per jaar. Dat was vroeger een veelvoud natuurlijk

Dit interview komt uit mijn magazine 'Bianca'.

Wil je het graag in de bus ontvangen? 

Het magazine komt om de twee maanden uit.

Schrijf je hieronder in en ik zend je de volgende versies graag per post.